Roermond 1550-1716 door Jos Habets

GEBEURTENISSEN OP GODSDIENSTIG EN STAATKUNDIG GEBIED IN HET OVERKWARTIER VAN GELDERLAND, SEDERT DE OPRICHTING VAN HET BISDOM TOT HET BEGIN DER XVIIIde EEUW.

Inleiding 1540-1566 1566 1567-1572
1572 1572-1632 1632-1637 1637-1716

1567-1572, komst van de hertog van Alva

Zoo eindigden de eerste pogingen der Calvinisten om Roermond te hervormen. Uit een brief van 29 Juni 1567 blijkt, dat de stadhouder voornemens was te Roermond twee vendelen krijgsknechten te leggen, om de oproermakers in bedwang te houden.(1) Deze troepen kwarnen reeds in Juli de stad binnen en stonden onder bevel der hoplieden Reimer van Broekhuizen en Herman Lozecat.(2) Ook benoemde de landvoogdes Margareta van Parma, die toen nog het roer in handen had, eene commissie om het voorgevallene te Roermond en in de overige steden van Gelderland, volgens eene instructie door haar op den 17 Juli vastgesteld, nauwkeurig te onderzoeken. Tot leden dien commissie werden den 9 maart van het volgend jaar benoemd: Joost van Cranevelt en Johan van Stalberg, raadsleden van het Geldersch bof te Arnhem. Hun was de taak opgedragen te zorgen, dat over de gekerkerde beeldstormers, door de magistraten van Venloo en Roermond, recht gesproken wierd. Met hun beider samenwerking moest goede en korte justitie gedaan worden, naar mate der misdaad van elken gevangene, "alle overvloedige dilationes afsnijdende und wederleggende".
Op denzelfden lag, dat bovengenoemde instructie was uitgevaardigd, schreef de landvoogdes aan de stad Roermond, dat de kanselier Adriaan Nicolai en de raad Joost van Cranevelt zich naar Roermond zouden begeven, om onderzoek te doen naar de alldaar plaats gevonden hebbende nieuwigheden en beroerten; zij hoopte dat de magistraat deze heeren aanwijzing en bijstand zoude verleenen.(3)

(1) NIJHOFF, Bijdragen VIII, p. 269. In 1568 kreeg Roermond eene Duitsche bezetting onder Pollweiler.
(2)VAN RYCKENROY, Chronyk van Roermond, p. 73.
(3) Sivrť, Inventaris, I, p. 79.

Ingevolge van dit onderzoek werden de uitgeweken personen van Roermond door den schout voor den Rand van beroerten gedaagd, waar ze wegens niet-verschijning tot eeuwige verbanning en verbeurdverklaring ng hunner goederen werden veroordeeld. Hun getal was honderd twintig personen.Daarbij waren er achttien die deel hadden genomen aan den beeldstorm in de kerken der stad. Peter in den IJzeren Kraem had daarenboven tot zijnen last, dat hij den predikant in de stad had helpen halen en hem als koster had gediend ; hij had ijzeren staven laten maken, om alles in de kerken stuk te breken, en de boeken der kerkzangers medegenomen. Willem Zaerts was ook tegenwoordig geweest bij het binnenvoeren van den predikant en bij het gewapend verzet tegen den magistraat. Hendrik van Wessem had aan de beeldstormers een brief laten zien van den Prins van Oranje, waarin te lezen stond, dat men den beeldenstorm moest veroorloven; deze Hendrik had ook de beeldstormers van spijs en drank voorzien.(4) Jacob Craetzpot had de kerk helpen openbreken en eenen kelk gestolen. Lem van Dilsen had den predikant helpen binnenhalen en dien in zijn huis opgenomen. Hendrik van Ae was een der voornaamste raadgevers en ophitsers der ketters en oorzaak geweest, dat zij naar de wapens grepen; hij had uit het Guliksch gebied den predikant naar de stad gehaald. Cornelis Coppens, die in allerlei verwikkelingen was geweest, werd aangeklaagd, de gebroeders van Batenburg, heeren tot Stein, in zijn huis geherbergd te hebben. Schram van Dulken had de preek bijgewoond met een geladen geweer. Peter Tessers, die het register hield der sectarissen en den predikant had helpen binnenvoeren, had eene ton bier gegeven aan de beeldstormers. Gerit Ploecx had op schildwacht gestaan, toen men beeldstormde. Peter Bijlemaeker was tromslager geweest van de geuzen en had met de trom door de stad geloopen, roepende: dat de vrienden van Gods woord gewapend de preek moesten bijwonen op de markt. Dick Stolte, koster der ketters, had de beeldstormers betaald en de banken geplaatst voor de preek. Jan van Someren had den predikant Conrard vergezeld. De overigen waren beschuldigd van soortgelijke zaken, maar meestal van naar Antwerpen te zijn geweest ter bijwoning van het consistorie, of de toespraken van den predikant te Roermond te hebben gehoord. Deze aanklachten dagteekenen uit de jaren 1569 en 1570. (1) Merken wij ten slotte aan, dit onder de namen dien 120 geuzen er velen zijn, die niet tot de burgerij van Roermond schijnen te behooren ; hunne namen zijn die van van vreemdelingen, welke tijdens den opstand te Roermond, de veste ter sluiks waren binnengeslopen.

(4) Publ. etc. du Limb., XII, p. 371.

Den 16 November 1569 schonk de koning eene eerste en den 8 Maart 1574 een tweede meer uitgebreide kwijtschelding van straf. Van deze laatste kwijtschelding werden acht personen van Roermond uitgesloten. (5)
Den 21 Februari 1569 meldde de Hertog van Alba aan den magistraat van Roermond, dat binnen drie maanden al de schade door den beeldstorm aan kerken, kloosters en altaren aldaar veroorzaakt, op stadskosten moest hersteld worden.(6) Kort daarna werd den Roermondenaars door een tweeden brief beteekend, dat zij den nieuwen bisschop binnen hunne poorten moesten ontvangen en hem zijne bediening vrij laten uitoefenen. Dit had ten gevolge, dat Lindanus den 10 Mei 1569 zijn plechtige intrede hield, in bijzijn van Joost van Craneveld en Willem van Gent, daartoe door de regeering benoemde commissarissen, en van den deken van het kapittel.(7)
Intusschen hadden de vijanden des konings niet stil gezeten. De graaf van Hoogstraten, die met den Prins van Oranje naar Duitschland was gevlucht, had in het land van Gulik een klein leger verzameld, dat van drie kanten zou te Samen trekken om Roermond te overrompelen. Ziek geworden, moest hij evenwel het bevel daarover aan Jan de Montigny, heer van Villers, overgeven. In de rijksbaronnie Stein, een eigendom der Batenburgers, had zich eene tweede bende geuzen georganiseerd door toedoen van Bernard van Merode, heer van Waroux; eene derde bende bevond zich te Weert onder de bevelen van de gebroeders Jan en Herman Ressen, twee stokebranden, met wie, als hoofden van den beeldstorm wij later zullen kennis maken; de bende onder den heer van Villers lag in de nabijheid van Wassenberg. De twee eerste vereenigden zich te Weert en de derde vonden zij onder de wallen van Roermond, welke stad zij gezamenlijk zouden veroveren.(8)

(5) VAN HASSELT, Stukken II, n . 141, en Publ. etc. du Limb., XII, p. 374-377.
(6) VAN HASSELT, Stukken enz. I, n . 109.
(7) HAVENSIUS, p. 89 en 107.
(8) MEULLENERS, Legertochten tusschen Maastricht en Mook in de Publ. etc. du Limb., XXV, p. 176.

Zie hier hoe eene tijdgenoote, zuster Maria Luyten, dit feit en het volgende gevecht te Dalheim, bij Gladbach, verhaalt:

"Den 21 April, s goensdags, en op Wittendonderdag vergarderden Jan Ressen, een capiteyn uit Weert, en nog een capiteyn van buiten, geuze krygsknechten te Weert en voorts in alle steden daer geusen waren, om den prins van Oranje te dienen tegen den koning. Soo trocken zy uyt Weert op den goeden vrydag en trocken naer Roermond voor de stadt en heysten die op. Daer was seer weynigh volck in die stadt, want sy waeren uytgestorven en voorts uytgevlught voor die pest, die daer seer groot was geweest; maer noghtans verweerden hun die kneghten, die daer in waeren, soo dapperlyck, dat wonder was om te seggen.(9) Die geestelyckheyt ginck uyt op de mueren en verweerde hun seer dapper; de Vrouwe-cloosters susteren, die uyt mogten gaen, droeghen aerde en steenen by. Sy schoten soo vreesselyck uyt de stad, datter buyten veel guesen bleven, maer van binnen bleef er maer ťťn man. Dus weecken de geusen van de stadt en trokken naer Dalen; hier en tuschen quam een groote meenighte Spagnaerts de stad te hulp;(10) die trocken terstondt naer, en omsingelden de geusen by Dalen, in 't velt, en sloegen het al voor de voet doot, soo datter weynigh af ontquaemen; en die ontloopen waeren, aghterhaelden sy.
Dese capiteyn Jan Ressen was in Dalen gevlucht, maer hy wiert gevonden en met dy lanciŽn deerelyck doorstecken. Daer waeren er nogh sommige van Weert wonderlyck ontcomen, die wederom thuis quamen; maar wat wast? Sy moesten uyt Weert ten eeuwighen daeghe. Dat gebodt wiert gedaen, omdat sy tegen den Coninck gedient hadden, maer het had beter geweest, dat sy te vooren hadden toegezien. Dese Jan Ressen met syn broeder waeren te saemen verborgen op eenen solder onder voerage der beesten; maer Jan seyde tot synen broeder: het was hem daer te benauwt, hy konde daer niet langer blyven, hy moeste afgaen. Synen broeder bidde hem, dat hy by hem soude blyven, opdat hy hem zelve niet verraede; maar neen, hy wilde synen broeder niet hooren en ginck af, dat hem quaelyck verginck. Hy liet hem in een kist sluyten, daar hy gevonden wiert en deerelyck vermoort, als voorschreven is. En synen broeder Herman bleef boven, door Godts genaede beschermt, maar was in duysent vreesen, omdat hy synen broeder Jan soo deerelyck hoorde kryten en kermen. Item deesen geusen slagh geschiede by Dalen op den belocken paeschdagh. Item doen dese geusen voor Roermond laegen, hadden sy de poort in brandt gesteecken, en sy gingen op een oly-moolen en naemen den oly en goten dien in de poort, opdat sy te meer soude branden; nogh hadden sy tonnen met stricken medegenomen, en meynden alle de geestelyckheid daer mede te worgen; en een tonne vol schabelieren, daer sy degene, die sy niet worghden, mede bespot souden hebben. Dese stricken en schabelieren werden aen Duc d'Albe gesonden en hy sondt die voort tot den Coninck in SpagniŽn."(11)

(9) Er bevond zich in de stad een vendel Duitschers.
(10) De troepen van Londono en Avila.
(11) Over Jan Ressen en Herman als beeldstormers vergl. de Chronyck van Weert in de Publ. etc. du Limb., XII, p. 194.

 Ziet u slechts 1 pagina?
klik hier voor de volledige website
"Voorouders uit Midden-Limburg"